bulgur

mannelijk (de)/ˈbulɡur/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
    In dit recept maken we er een kruidige bulgur bij, een van die ingrediënten die al honderden jaren in de mediterrane, Turkse en Arabische keuken wordt gebruikt en tegenwoordig bij ons als superfood geldt.

Etymologie

*van "bulgur"

Vertalingen

Engelsbulgur, bulgur wheat
Fransboulghour, boulgour
DuitsBulgur, Bulgurweizen
Spaansbulgur
Italiaansbulgur
Portugeesbulgur, triguilho
Russischбулгур
Chinees布格麦
Japansブルグル
Koreaans불구르
Arabischبرغل
Turksbulgur
Poolsbulgur
Zweedsbulgur
Deensbulgur