buldog
mannelijk (de)/ˈbʏldɔx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken, destijds gefokt om tegen stieren te vechten
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘hondensoort’ voor het eerst aangetroffen in 1729
Vertalingen
Engelsbulldog
Fransbouledogue
DuitsBulldogge
Spaansbuldog, dogo
Italiaansbulldog
Portugeesbuldogue
Russischбульдог
Chinees牛頭犬, 牛头犬
Japansブルドッグ
Koreaans불독
Poolsbuldog
Deensbuldog
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek