bukken

/ˈbɵkən/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) vooroverbuigen, je verlagen tot iets
    ,,Televisie is een medium dat om een zekere gedienstigheid vraagt. De hoekige kanten van je persoonlijkheid moet je onderdrukken. Ik heb daar geen zin meer in. Ik heb niet zoveel zin meer om te moeten bukken en buigen voor de goede smaak. Tegelijkertijd is de intellectuele overdracht op televisie verdwenen. Er zijn nog maar weinig goede documentaires te zien en er is geen boekenprogramma. Dat is jammer, want het gaat er tenslotte toch om dat een enkeling wordt aangestoken door iets wat hij ziet.'Michel Krielaars NRC 20 september 2002
  2. refl (refl) zich ~: het lichaam geheel voorover buigen (om bij iets lagers te komen)
    Hij bukte zich om met zijn hand bij de gevallen pen te komen.

Etymologie

* het intensief van buigen

Vertalingen

Engelsstoop, bend down
Fransbaisser
Duitsbücken
Spaansagacharse, acurrucarse