buitenwerk
onzijdig (het)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het arbeiden in de buitenluchtZijn armen waren bruin van het buitenwerk en zijn biceps bolden.
- werk dat aan de buitenkant van een gebouw gedaan moet wordenWil je je boerderij behouden, dan moet je het buitenwerk heel goed bijhouden, weten de bewoners van deze monumenten. Iedere lekkage, iedere gebroken pan, iedere kapotte afvoer meteen aanpakken.
- delen van een vesting die buiten de vestingmuur liggenBuitenwerk: Algemene benaming voor delen van een vesting welke vóór de hoofdwal doch binnen de bedekte weg respectievelijk het glacis zijn gelegen; bij voorbeeld: contregarde, couvre-face, halve maan, hoornwerk, kroonwerk, ravelijn, tenaille, enz.; niet te verwarren met voorwerk.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek