buitenleven

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het leven buiten de stand in de natuur, meestal zo genoemd door de stadsbewoner die er voor zijn plezier vertoeft
    Wij genoten tijdens onze vakantie van het rustige buitenleven in de bergen.
    Boerstra houdt het erop dat met open raam slapen een overblijfsel is van de cultus die aan de natuur en het buitenleven een gunstig gezondheidseffect toeschrijft: „Een geloof van hygiënisten.” NRC Sander Voormolen 11 december 2016