buckskin

/ˈbʏkskɪn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lichtgeelbruin leer dan van herten afkomstig is
    Teken op de buckskin eerst de banen waartussen je de kralen wilt opnaaien.
  2. paardrijden (paardrijden) paard met een vale geelbruine kleur
    Ik was vooral onder de indruk van zijn paard, een jonge ruin, een buckskin.

Etymologie

*(n): van "buckskin" "cloth" "textiel dat aan hertenleer doet denken"