bruinvis
mannelijk (de)/ˈbrœyɱvɪs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (walvisachtigen) kleine, solitair of in los school levende tandwalvis uit de familie , zich kenmerkend door zijn stompe snuit, spatelvormige tanden, lage driehoekige rugvin en horizontale staartvin, en die tijdens het zwemmen uit het water opspringt
- (walvisachtigen) gewone bruinvis: bepaald soort bruinvis met donkere rugkant, , de meest voorkomende walvissoort in de Noordzee, met een lengte van maximaal 1,80 m en een gewicht van maximaal 60 kilogramMet ons beperkte waarnemingsveld hebben we vaak niet in de gaten wat we aanrichten in die wondere wereld. Als wij hier voor de kust een paal in de grond heien, hoort een walvis onder water dat tot in Schotland. Een bruinvis binnen een kilometer van zo’n klap is direct doof. Psychologie Magazine 15 mei 2019 Roos Vonk [https://www.psychologiemagazine.nl/artikel/verwondering/ Verwondering]
Etymologie
*Middelnederlands "bruunvisch", samenstelling uit bruun ‘donker’ en visch ‘vis’, naar de zwartbruine kleur van zijn rug.
Vertalingen
Engelsporpoise
Fransmarsouin
DuitsTümmler, Schweinswal
Spaansmarsopa, marsopla
Italiaansfocena
Portugeestoninha
Poolsmorświn
Deensmarsvin
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek