broodje

/ˈbrocə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
    In de supermarkt kocht ik een belegd broodje.

Etymologie

*afgeleid van "brood"

Uitdrukkingen

  • als warme broodjes over de toonbank gaan
  • als warme broodjes over de toonbank vliegen
  • een broodje hebben aan
  • zijn broodje bij elkaar scharrelen
  • zoete broodjes bakken
  • als de boter duur wordt, leert men het broodje droog eten
  • de geleende broodjes zullen weerkeren
  • een broodje daags gespaard, maakt een goede zak tarwe ’s jaars

Vertalingen

Engelsroll
DuitsBrötchen
Spaanspanecillo, bocadillo, bollo
Portugeespão francês
Russischбулка
Poolsbułka