broodbezorger

mannelijk (de)/ˈbrodbəˌzɔrɣər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die brood aan huis bij de kopers aflevert
    Hij begon de opleiding nadat hij dankzij een Frans vriendinnetje in Parijs was beland en met zijn bescheiden Frans alleen werk vond „als broodbezorger om 5 uur ’s ochtends”.
    Voorlopig treedt hij in dienst bij een bakkersbedrijf, waar hij een volwassen broodbezorger meehelpt bij het duwen van de kar.
  2. beroep, geschiedenis (beroep) (geschiedenis) iemand die in een instelling waar mensen verbleven over de opslag en verdeling van brood ging
    Trouwens de verpleegden hadden voor de Tweede Wereld Oorlog velerlei baantjes onder meer: broodbezorger, tuinman, waterbrenger, behanger, schoorsteenveger en zelf heb ik via, via het zwemmen geleerd bij de verpleegde-badmeester, naar ik meen “Koppelstok”.

Etymologie

**[2] "bezorger" in de oude betekenis: iemand die ergens voor zorgt