Brommer

mannelijk (de)/ˈbrɔmər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voorwerp of wezen dat een brommend geluid maakt
  2. verkeer (verkeer) lichte motorfiets met een cilinderinhoud van maximaal 50 cc
    De bromfiets is flink minder populair onder jongeren. In 2010 hadden jongeren onder 20 jaar nog samen ruim 100.000 bromfietsen in bezit. Begin dit jaar waren dat er nog maar amper 40.000. Dat meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vandaag. Onder 50-plussers nam het aantal bromfietsen (brommers, snorfietsen en scooters) wel toe. Het totale aantal bromfietsen steeg naar 1,1 miljoen. NRC 22 juli 2015
    Twee jongens op een brommer haalden Chantal in of ze stilstond.
  3. rechtvleugeligen (rechtvleugeligen) een rechtvleugelig insect uit de familie veldsprinkhanen (Acrididae), onderfamilie Gomphocerinae
  4. verkeer, verouderd (verkeer) (verouderd) eenvoudig huurrijtuig dat door een enkel paard wordt getrokken

Etymologie

*[3] (eponiem): naar de naam van de stalhouder Brom, in de betekenis van ‘Amsterdams huurrijtuig’ voor het eerst aangetroffen in 1819

Vertalingen

Engelsmoped
Fransmobylette, mob
DuitsMoped, Mofa
Spaansciclomotor
Italiaansciclomotore
Japansモペッド
Poolscyclomotor, motorower, moped
Zweedsmoped
Deensknallert