broekzak

mannelijk (de)/ˈbruksɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) zak in een broek, meestal aan een van de zijkanten
    Hij had zijn portemonnee in zijn broekzak.
    Ik greep in mijn broekzak en duwde mijn sleutels in de hand van Solange.
    Mijn hand gaat naar mijn broekzak en grijpt het wapen.

Uitdrukkingen

  • Kennen als zijn broekzak.*Heel goed kennen

Vertalingen

Engelspocket, trouser pocket
DuitsHosentasche
Spaansbolsillo del pantalón