broekband
mannelijk (de)/ˈbruɡbɑnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- band waarmee je een broek stevig om heup of middel kunt binden zodat de broek niet afzakt; tailleband bovenaan de broekOfficier van justitie Kroon gaat niet mee in het pleidooi van de advocaat. Hij wijst erop dat de verdachte bij zijn arrestatie een half doorgeladen pistool in zijn broekband droeg. Bovendien wekte hij de suggestie naar zijn pistool te willen grijpen. "U mag blij zijn dat niemand een gaatje in uw voorhoofd heeft geschoten", zei Kroon vandaag in de zitting.
Vertalingen
Engelswaistband, belt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek