brandschade

mannelijk/vrouwelijk (de)/'brɑntsxadə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de schade die door vuur is veroorzaakt
    Er werd op de politie gescholden; ze werd omgekocht; er werden ramingen van de brandschade gemaakt die tien keer te hoog waren; men eiste ondersteuning.

Vertalingen

Engelsfire damages, fire losses, damage by fire