brandhout

onzijdig (het)/ˈbrɑnthɑut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
    Het brandhout was bijna op, dus werd er een boom omgehakt.
    De geur van groene zeep, het geknetter van het verse en harsrijke brandhout in de speksteenkachel en het vliesje ijs op de pis waren dus een reinigingsbad voor zijn ziel, een verheven herinnering aan hoeveel hij aan God te danken had.
  2. hout van een te slechte kwaliteit om er iets van te maken
    De bank was gemaakt van brandhout en stortte meteen in elkaar toen de jongen erop ging zitten.

Vertalingen

Engelsfirewood, lumber
Spaansleña
Chinees木材