branden

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. absol (absol) verteerd worden door vuur
    De kaars brandde de hele nacht
    Hij kwam overeind met de uitnodigingen in zijn hand, liep naar het haardvuur en legde ze keurig boven op het brandende blok berkenhout.
  2. ov, kookkunst (ov) (kookkunst) langzaam aan vuur blootstellen (van cacao- en koffiebonen, noten, e.d.)
    De koffie werd er vrij licht gebrand.
  3. ov (ov) als brandstof gebruiken
    De olie die daar gebrand wordt, stinkt.
  4. verwonding door hoge temperatuur
    Hij heeft zijn handen gebrand.
    Dominee brand je bekje ( of befje ) niet (in de betekenis van "Pas op, dat is erg heet", van voeding of drank))
  5. aan zijn van een licht (van wat in het verleden gepaard ging met vuur)
    De ledlamp brandt zonder warm te worden.
    De elektrische kachel brandt op maximale kracht.
    Doordat de noodverlichting brandde en zij de enige twee personen in de gang waren, kreeg het geheel iets spookachtigs.
  6. een nieuwe CD of DVD maken
    Kun je een illegale kopie branden van deze nieuwe film?
  7. heel warm aanvoelen
    Mijn voeten branden in mijn schoenen.
    Zijn handpalmen branden op mijn rug.
    Mijn lenzen branden in mijn ogen en ik ben ook nog ongesteld geworden.
  8. heel urgent aanvoelen
    Er branden talloze vragen op haar lippen, maar ze weet niet waar ze moet beginnen.
zelfstandig naamwoord
  1. steeltjeszwammen (steeltjeszwammen) een klasse binnen het rijk van de schimmels (), behorend tot de stam van . Alle soorten parasiteren op planten die tot de bedektzadigen behoren. Bepaalde typen branden zijn van grote economische waarde. Branden vormen enorme hoeveelheden teleutosporen, die vaak zwart en stofachtig zijn. De Ustilaginomycetes zijn dimorf, afwisselend gistachtig en myceliumvormend

Etymologie

* Middel-Nederlands barnen of bernen

Uitdrukkingen

  • ogen voelen brandenvoelen dat men wordt aangestaard
  • branden in de helstreng gestraft worden
  • Branden als een fakkelZeer fel branden
  • Branden als een lierEen heel erg hevige brand
  • Bang zijn zich aan koud water te brandenErg voorzichtig zijn
  • Ergens op gebrand zijnIets heel erg fijn vinden en ernaar streven
  • Zich ergens aan branden/Zijn vingers brandenZich ergens mee bemoeien en daardoor zelf in moeilijkheden komen

Vertalingen

Engelsburn, roast, torrefy
Fransbrûler, torréfier
Duitsverbrennen, rösten
Spaansquemar, arder, tostar
Portugeestorrefazer
Poolspalić