bouwstijl

mannelijk (de)/'bɔustɛɪl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een manier van bouw die kenmerkend is voor een bepaalde periode of plaats
    Al kletsend passeren ze de huizen van Amsterdam-Zuid en Gabi bewondert de solide bouwstijl, zo anders dan die van zijn eigen land, waar één flinke tornado een heel dorp, húp van de kaart veegt. NRC Franca Treur 6 november 2016
    Het was een schitterend huis. Strakke bouwstijl, diepe voor- en achtertuin, oprit met garage.