bouwmeester

mannelijk (de)/'bɔumestər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, kunst, wetenschap, techniek (beroep), (kunst), (wetenschap), (techniek), architect, ontwerper van gebouwen, die dit ontwerp visualiseert en de verwerkelijking van dit concept technisch en administratief begeleidt.

Etymologie

* In de betekenis van ‘architect’ voor het eerst aangetroffen in 1620

Vertalingen

Spaansarquitecto