bouwmaatschappij

vrouwelijk (de)/ˈbɑumatsxɑˌpɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bedrijf, bouwkunde (bedrijf) (bouwkunde) groot bedrijf dat woningen, bedrijfspanden en andere gebouwen maakt
    Shijiazhuang, dat nu 10 miljoen inwoners telt, moet groeien naar een megametropool met 15 miljoen inwoners, naar een chemisch en farmaceutisch wereldcentrum, waar niet alleen iedereen goed werk heeft en een mooi appartement bewoont, maar ook „gelukkig” is, zo blijkt uit de folders van de bouwmaatschappijen.
    Vader was aannemer en opzichter bij een bouwmaatschappij, moeder was schoonmaakster.

Vertalingen

Engelsbuilding company, construction company
Fransentreprise de bâtiment, entreprise de construction, firme de construction
DuitsBaubetrieb, Baufirma, Baugesellschaft
Poolsfirma budowlana