bouwhal
mannelijk/vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- grote overdekte ruimte die geschikt is voor het bouwen van grote objectenIn een bouwhal in Den Bosch hebben de leden van carnavalsvereniging De Tierelantijnen maanden aan hun praalwagen gewerkt. De Telegraaf SOPHIE KLUIVERS 25 feb. 2017 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/66042/meer-dan-platte-humor Meer dan platte humor]‘Mädchen’, meisjes, noemen de lassers hun cruiseschepen liefkozend. Het zijn in werkelijkheid bakbeesten; flatgebouwen die door mannen in blauwe overalls volgens een veredeld legoprincipe in elkaar worden gezet, in werkhallen die het vlakke land hier domineren als kathedralen. Een van die meisjes is de Celebrity Equinox, in bouwhal 6. Straks wordt ze naar buiten gevaren, de Eems op, om voor de kade te worden afgebouwd. Dat uitdokken is een spektakel. „Dan komt heel Papenburg kijken. Dan is het hier feest”, zegt Franz Kummer, die namens Jos. L. Meyer GmbH bezoekers rondleidt op de beroemdste scheepswerf van Duitsland. NRC Joost van der Vaart 3 juli 2009 [https://www.nrc.nl/nieuws/2009/07/03/meyerwerf-heeft-wereld-als-werkgebied-11750075-a529765 Meyerwerf heeft wereld als werkgebied]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek