bouwerij

vrouwelijk (de)/bɔuwə'rɛɪ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het bouwen van iets
    De bouw van het bedehuis begon in 1388. Ten gevolge van de Hussitische Oorlogen werd de bouw meer dan zestig jaar stilgelegd, tot 1482 hamer en troffel weer ter hand werden genomen. Geldgebrek legde de bouwerij in 1588 –precies twee eeuwen na de start– opnieuw lam. Wat er inmiddels overeind stond, werd provisorisch met een muur dichtgemaakt. De laatste bouwfase duurde van 1884 tot 1905. Toen was ook de voorgevel eindelijk klaar. Na 617 jaar was de kathedraal voltooid.
  2. bouwbedrijf
  3. boerderij

Etymologie

* van bouwen