boulanger

/bulɑ̃ˈʒe/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meester broodbakker
    Meester Boulanger Robèrt van Beckhoven heeft gisteren achthonderd cadeaubonnen ter waarde van 25 euro uitgedeeld aan Brabants zorgpersoneel. Dat maakte het Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis in Tilburg vandaag bekend.
    De bakkerij bevindt zich in het monumentale pand van een voormalige leerlooierij en bevat veel glazen wanden, zodat je het team van de meester-patissier en meester-boulanger aan het werk kunt zien.
  2. aubergine, aubergineplant

Etymologie

* [2] uit het Surinaams-Nederlands