bouderen
/buˈderə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) niet fel, maar wel langdurig ontevredenheid laten blijken'Wilde ik ooit nog een kans maken op een post in een toekomstig kabinet, dan was er maar een koers: niet jennen, niet bouderen en niet samenzweren', zou Heseltine later aan een vriend toevertrouwen.
- (ov) mokkend benaderen, pruilen tegenKom, wees lief, Alfred, laten we elkaar niet bouderen. Is dat nu de moeite waard? Laat ons liever elkaar goed trachten te begrijpen.
Etymologie
*van "bouder"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek