botsen
/ˈbɔtsə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) met een flinke snelheid tegen elkaar aankomenEr botsten gisteren weer twee auto's frontaal tegen elkaar op de snelweg.Toen we vijf dagen later op een ochtend achter elkaar op een smalle richel langs een ravijn liepen, stopte ze opeens zo abrupt dat ik tegen haar op botste.
- (erga) in een conflict of ruzie gerakenZoals meestal botsten zij ook nu weer.
Etymologie
* In de betekenis van ‘met een schok tegen iets aankomen’ voor het eerst aangetroffen in 1588
Uitdrukkingen
- Klinkt het niet dan botst het. — mensen die niet overeenkomen proosten niet
Vertalingen
Engelscollide, clashh, clash
Fransheurter, se heurter
Duitsprallen, zusammenstoßen, aufeinanderstoßen
Spaanschocar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek