bosbeer

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bruine beer die een voorkeur heeft om in bossen te leven
    Nu lacht hij luid op. Hij ziet die grote, onbehouwen lummel in zijn bruidsgewaad naast Anne-Marie, de broek met de zilveren gespbanden, de ronde hoed waaraan een kleurig lint fladdert en zijn gezicht grof als van een bosbeer. (1959)–Filip de Pillecyn [https://www.dbnl.org/tekst/pill001verz05_01/pill001verz05_01_0016.php (1959)–Filip de Pillecyn De veerman en de jonkvrouw]