bosarbeider

mannelijk (de)/ˈbɔsɑrˌbɛidər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die ongeschoold werk doet bij de winning van hout te winnen en het onderhoud van bossen
    De Jong ziet bij zijn boerderij in Vught bosarbeiders hakhout opschonen.
    De zoon van een bosarbeider, afkomstig uit een christelijk gezin, beschikte over een ijzeren gestel en een puike conditie.