borsthoning
mannelijk (de)/ˈbɔrsthonɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- soort zoete stroop als kwakzalverij tegen hoesten, oorspronkelijk bereid uit druivensap ingedikt met suiker en kruidenHet bedrijf heeft nog steeds een pharmaceutische afdeling die pleister en borsthoning aflevert.Het begon met een heel onschuldige verkoudheid. Zuster Cornelia trachtte ze, geholpen door Zuster Euphemia, de zuster van de apotheek, te verdrijven met alle wettelijke middelen die tegen verkoudheid worden aangewend, zooals daar zijn: asperine, kinine, borsthoning, gloeiende vlierthee nog gloeiender kamillenthee, kokende grocs maar alles tevergeefs.Moeder vraagt: — Wil je nóg een tik, Minka? Ik héb er nog genoeg! Of wil je nu misschien een lepeltje druivenborsthoning? Minka besluit tot de proef met den borsthoning. Ze slikt het stroopje naar binnen en.... vraagt om asjeblieft nóg een beetje....
- zoet snoepgoed met druivensuiker, in de vorm van witte brokkenHier verkocht HJ. Kouwenhoven vanaf 1867 behalve pigment en andere verfprodukten zo ongeveer alles wat los en vast zat. Maar vooral wat los zat: zeep van de Delftse fabriek 'Bousquet' (anno 1572 en nog altijd in bedrijf), Arabische gom, bijenwas, huidenlijm en brokken "borsthoning" (een restprodukt uit de suikerindustrie en destijds het allergoedkoopste snoepgoed).Wij zijn en zullen blijven het vertrouwde adres voor versche zoute pinda's, alle soorten drop, borsthoning, saccharine, chocolade-artikelen enz. enz.(…) verder zijn er heeren achter wagens waarboven het verlokkend opschrift "alteit wad!" prijkt en die uitsluitend, "voor de verloting aangekochte" artikelen bevatten, de rest der handelaars doet in "noga of borsthoning, onfeelbaar voor... enz", in "een cjent een bjok" (kokosnoot) en "een cjent een bom" (pekelzuur) en dergelijke gezonde lekkernijen.
Etymologie
*[2] door gelijkenis in smaak met het middeltje tegen hoesten
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek