borgtocht
mannelijk (de)/'bɔrxtɔxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (juridisch) (burgerlijk recht) een overeenkomst waarbij de borgsteller garant staat voor de schulden van de schuldenaar.Deze borgtocht dient als onderpand voor het nakomen van de verplichtingen van de aannemer.
- (juridisch) (strafrecht) het voorlopig vrijlaten van een gevangene tegen storting van een borgsomIran laat de Amerikaanse gevangenen op borgtocht vrij.
Etymologie
* ; Middelnederlands borchtoch(t), -tucht (f); parallel daarmee zijn Middelnederduits borgetuch(t), Middelhoogduits burgezoc en Fries boarchtocht ‘waarborgsom’.
Vertalingen
Engelssuretyship, bail
Franscautionnement
DuitsBürgschaft
Spaansfianza, caución, fianza
Italiaansfideiussione, cauzione
Portugeesfiança
Koreaans보증
Poolsporęczenie majątkowe
Zweedsborgen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek