bondsvolk

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het volk waarmee Jahwe een speciaal verbond heeft gesloten; het uitverkoren volk
    Een zin ook die er alleen maar in kon komen op basis van het stupide pro-Israëlsentiment dat Nederland nu al decennia op basis van Holocaustschuldgevoelens en protestantse theologische verslaving aan het Bondsvolk in gijzeling houdt.
    Samen met de ontkerkelijking sneuvelde in de jaren zestig en zeventig de gedachte van Israël als ‘Bondsvolk’, en met het aantreden van de uitgesproken rechtse Likoed-premier Menachem Begin ging in 1977 ook Israëls socialistische reputatie teloor.