bomijs

onzijdig (het)/'bɔmɛɪs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ijs waaronder geen water meer is en dus heel gevaarlijk is om op te schaatsen
    Keimpe Wagenaar (65) uit Wirdum („ik ben een oer-Fries”) heeft 30 rondjes geschaatst, vertelt hij als hij zijn schaatsen uittrekt. Hij rijdt twee keer per week met een schaatsploeg. „Ik kan met de beste toerrijders mee komen.” De slanke zestiger in zwart pak draagt een helm en overschoenen over zijn schaatsen. „Dat houdt de kou tegen. Ik heb ook een winddichte onderbroek aan. En dit jasje”, zegt hij als hij op zijn jack wijst, „kost 170 euro en bestaat uit drie delen stof.” De kwaliteit van het ijs valt hem tegen. „Hopeloos. Veel bomijs, bobbels op het ijs. De eerste vijftien rondjes moest ik recht op rijden, anders raak je uit balans. Nee, in de Jan Durkspolder bij Earnewâld was het ijs veel beter.”NRC Karin de Mik
  2. beleid dat nergens op steunt

Vertalingen

Engelsshell ice