boeten

/ˈbutə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) ~ voor: straf ondergaan, nadeel ondervinden van een foute handeling
    - Hij boette zwaar voor zijn vergrijp.
    - Hij moest boeten voor de fouten van zijn baas, want hij is ontslagen omdat het bedrijf failliet is gegaan.
  2. ov (ov) het repareren van een visnet
    De vissers boetten hun beschadigde netten.

Etymologie

* In de betekenis van ‘herstellen, goedmaken’ voor het eerst aangetroffen in 1253

Vertalingen

Engelspay for, mend, repair
Duitsbüßen
Spaansexpiar, remendar