boeroeper
mannelijk (de)/'burupər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- toeschouwer die luidruchtig zijn ongenoegen laat blijkenHet publiek, enkele boeroepers daargelaten, bleek laaiend enthousiast.
Etymologie
*Samenstellende afleiding van boe en de stam van roepen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek