boerendochter
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vrouw waarvan de ouders een boerenbedrijf hebben of haddenDe boerendochter voelt zich klaar voor een carrière in Washington. De stad zit vol met big spenders. Zullen we ze eens laten krijsen?Minister Schouten, zelf een boerendochter, wil in haar Landbouwvisie een omslag naar kringlooplandbouw in 2030. Nu is de landbouw erop gericht zoveel mogelijk te produceren voor zo weinig mogelijk geld. Maar het moet worden: produceren met zo min mogelijk grondstoffen en daardoor minder belastend voor het milieu.
Vertalingen
Engelsfarmer's daughter
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek