boeren
/ˈburə(n)/
Betekenis
werkwoord
- het boerenvak uitoefenenMijn familie boert al verscheidene generaties.Er wordt steeds meer biologisch geboerd.
- een vak uitoefenen en daar inkomsten mee verdienenNa enkele magere jaren boert de branche weer goed.
- een boer latenHij boert luidruchtig en laat een scheet.
Etymologie
*Afgeleid van boer
Uitdrukkingen
- goed boeren — goede bedrijfsresultaten behalen
Vertalingen
Engelsburp
Duitsrülpsen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek