boenwas

mannelijk (de)/'bunwɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. door bijen gemaakte was opgelost in terpentijn om meubelen, houten vloeren of linoleum door wrijven weer mooi glanzend te maken
    De oplossing van een andere schrijfster staat me nog scherp voor de geest: ze vertelde hoe heerlijk ze het vond om zelf haar statige houten trappenhuis te boenen. Dan kwam ze tot rust: de geur van boenwas, de ontspanning, het resultaat. Ze sprak zo bezielend dat ik thuis direct de tafel onder handen nam: heel bevredigend, maar het heeft toch niet als gewoonte doorgezet.NRC Christien Brinkgreve 23 juni 1998
    Ik keek naar Luc. Hij gutste de boenwas over het parket. {{Aut|Sandes, David

Vertalingen

Engelspolishing wax