boenen

/'bunən/

Betekenis

werkwoord
  1. met een boender en water schrobben.
    De tegels glansden nadat ze met zeepsop geboend waren.
    De onbewerkte vloerplanken in zijn zolderkamer met uitzicht op de rivier waren zorgvuldig geboend met groene zeep.
  2. in de was zetten en glanzend wrijven
    De buurman staat de hele dag zijn auto te boenen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘in de was zetten, schoonmaken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1286

Vertalingen

Engelsscrub, polish
Fransrécurer, cirer
Duitsschrubben, bohnern
Spaansfregar, estregar, frotar