boenen
/'bunən/
Betekenis
werkwoord
- met een boender en water schrobben.De tegels glansden nadat ze met zeepsop geboend waren.De onbewerkte vloerplanken in zijn zolderkamer met uitzicht op de rivier waren zorgvuldig geboend met groene zeep.
- in de was zetten en glanzend wrijvenDe buurman staat de hele dag zijn auto te boenen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘in de was zetten, schoonmaken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1286
Vertalingen
Engelsscrub, polish
Fransrécurer, cirer
Duitsschrubben, bohnern
Spaansfregar, estregar, frotar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek