boekhoudster

vrouwelijk (de)/'bukhɔutstər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) een vrouw die boekhouder van beroep is
    De middelbare Solness (Mark Rietman) verruilt zijn jonge boekhoudster Kaja (Marit Meijeren) voor een ander jong ding, de mysterieuze indringer Hilde (Anna Raadsveld). Zijn angst voor de jeugd, voor het verlies van zijn status als geslaagde architect drijven hem tot zijn affaires, zegt hij.Ron Rijghard NRC 27 april 2015

Etymologie

* van boekhouden