boeket

onzijdig (het)/buˈkɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een bos snijbloemen, vaak sierlijk gerangschikt en aan elkaar gebonden om in een vaas te kunnen zetten
    Hij kwam met een prachtig boeket aanzetten.
    Want ik was niet naar Grand Hotel Europa gekomen om de tijd weemoedig te laten verglijden te midden van afgebladderde luxe en krakende glorie in passieve afwachting van een of ander inzicht, dat mij op een gegeven moment zou toevallen als een bloemblad uit een vergeeld boeket. Dat inzicht wilde ik afdwingen en daarom moest ik aan het werk.
    Geen boeketje op de begrafenis namens GoSunny of een telefoontje van iemand van toi die zijn deelneming betuigde.
  2. aroma

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bloemruiker’ voor het eerst aangetroffen in 1698

Uitdrukkingen

  • Geluk is de kunst een boeket te maken van de bloemen waar je bij kuntgelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen

Vertalingen

Fransbouquet
DuitsStrauß, Blumenstrauß, Bouquet
Spaansbouquet, ramillete, ramo