boedel
mannelijk (de)/ˈbudəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- geheel van iemands roerende goederen
- iemands vermogen, in het bijzonder zijn nalatenschap of de goederen in zijn faillissement (juridisch)
Etymologie
* In de betekenis van ‘geheel van roerende goederen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1282
Vertalingen
Spaansinventario
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek