bod

onzijdig (het)/bɔt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. handel (handel) door een koper voorgestelde prijs
    Zijn bod was veel te laag.
  2. handel (handel) de handeling van het bieden
    Ze deed een bod op de antieke tafel.

Etymologie

*van Middelnederlands "bot", verwant aan bode en boodschap, in de betekenis van ‘het bieden’ voor het eerst aangetroffen in 1440

Uitdrukkingen

  • Aan bod komen(van personen) aan de beurt komen, de kans krijgen; (van zaken) behandeld worden, ter sprake komen

Vertalingen

Engelssuggestion, tender
Spaansoferta, ofrecimiento, proposición
Zweedsbud