bobo

mannelijk (de)/ˈbobo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. informeel (informeel) vooraanstaande personen
    Ook het Westland telde in de Gouden Eeuw veel buitenplaatsen, waarvan de bekendste Slot Honselersdijk was. Frederik Hendrik ontving er bobo's als Maria de Medici en Voltaire - zijn optrekje werd overigens al na twee eeuwen wegens grondige verwaarlozing afgebroken.
  2. sport, pejoratief (sport) (pejoratief) bestuurder van een sportbond
    De Nederlandse sportorganisaties zün in slechts geringe mate geprofessionaliseerd, maar zowat elke bond heeft naast een eigen trainer of trainers een eigen bondsbureau met een eigen directeur en eigen ondergeschikten. Het gros van het administratief/organisatorische werk wordt door hen verzorgd. Maar, dat is nu eenmaal de makke van vrijwilligersorganisaties, de werkgevers van die professionele krachten zijn pure liefhebbers: de bobo's (bondsbonzen), zoals de voormalige directeur van het Koninklijk Nederlands Gymnastiek Verbond, De Wolf, ze noemde.
  3. pejoratief (Suriname) (pejoratief) iemand die traag van begrip is
    Het was kinderachtig dat er altijd een kindermeisje met me mee moest. De andere jongens begonnen me een bobo, een sufferd, te noemen.
  4. (Nederlands-Indië) slaap, slapen
    Zelf was zij medium en had vele spoken gehoord en gezien; met mijn ouders sprak zij over niets anders, en met mij over de arabische geest in de fles en die van Alladin bij wijze van lichtere variant; achter iedere zin plaatste zij tot meerdere overtuiging het woord ‘ziet’. ‘En toen hoorde ik duidelijk een stem in mijn oor schreeuwen: “Bobo!” (slapen) en toen draai ik mij nog even om, en toen stond daar bij mijn raam een pikzwarte man, ziet!’

Etymologie

*[4] uit een dat begint met ""nina" "bobo"" "slaap, onnozel kind" (volksetymologisch wordt "nina" niet als gebiedende wijs van "ninar" maar als verkorting van "menina" "meisje" opgevat; "bobo" is dan echter minder goed te herleiden en het slaapliedje wordt zowel voor meisjes als jongetjes gezongen)