blues

mannelijk/vrouwelijk (de)/bluːs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziek (muziek) een melancholieke muziekstijl, ongeveer tussen 1860 en 1900 ontstaan, die oorspronkelijk werd beoefend door Amerikaanse negerslaven
    Het meest veelzijdige festival van Rotterdam. Zo omschrijven de organisatoren van Werelds Delfshaven hun driedaagse evenement waarbij de Coolhavenkade verandert in een wereldplein met muziek variërend van Fado en afrogroove tot blues en het levenslied, afgewisseld met straattheater, poëzie, vertellingen, workshops én wereldse gerechten. NRC 3 juni 2016
  2. droeve stemming
    Nu Nederland niet meedoet aan het EK hebben veel voetballiefhebbers de EK-blues.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘muzieksoort’ voor het eerst aangetroffen in 1936

Vertalingen

Engelsblues, blues
Fransblues
DuitsBlues
Poolsblues