bloesemgeur
mannelijk (de)/'blusəmɣør/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de door bloesem verspreide geurAllengs drong er nu een ijl geneurie tot hem door, een muziek zo monotoon dat ze haast onhoorbaar was, echter ook zo luid dat ze zijn binnenkomst had overstemd: het was Bintje, haar zoemende, woordeloze zingezang zwemend als de bloesemgeur, eenzelvig als een stilte; Bintje, die heel de tijd al de pijn verdoofde met de hypnose harer zang.In een recent onderzoek met muizen kreeg het mannetje telkens een elektrische schok terwijl hij tegelijkertijd de geur van kersenbloesem te ruiken kreeg. Zo werd het muisje geconditioneerd om angstig te worden van bloesemgeur.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek