bloes
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) kledingstuk voor het bovenlichaam met knoopjes aan de voorzijdeOnder enthousiast applaus komt Brooke Shields het toneel op. Iedereen buigt naar voren, uiterst benieuwd naar wat ze draagt. „Oh”, zegt de blonde vrouw naast me teleurgesteld en zakt weer terug. De hoog gesloten zwarte bloes, kaki rok en bruine laarzen zijn niet erg Hollywood. Als ze zit, bedekt ze kuis het kleine stukje blote knie. NRC 9 december 2014
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bovenkledingstuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1872
Vertalingen
Engelsblouse
DuitsBluse
Spaansblusa
Poolsbluzka
Deensbluse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek