bloemkorf

mannelijk (de)/'blumkɔrf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een mand gevuld met een bloemstuk
    Zuster Door had bij de fotografie gehuild en zij kende de man niet eens, groote menschen moeten niet huilen, huilen maakt een aangezicht Al rookend drentelde het knechtje de bak eens om en moest weêr aan een bloemkorf denken en aan de schulprand der hoed van Aal de vischvrouw en zoo was hij vanzelf aan een nieuw partijtje begonnen.
  2. naam van een plant