bloemkool
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈblumkol/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) (groente) een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt- In Nederland voegt men soms nootmuskaat toe aan de bloemkool.- Snijd de bloemkool in kleine roosjes en kook deze in ongeveer 5 minuten beetgaar in water met wat zout. Giet ze af in een vergiet en laat ze daarin 10 minuten afkoelen. Sam de Voogt NRC 10 juni 2016
Etymologie
* In de betekenis van ‘koolsoort, groente’ voor het eerst aangetroffen in 1567
Vertalingen
Engelscauliflower
Franschou-fleur
DuitsBlumenkohl
Spaanscoliflor
Italiaanscavolfiore
Portugeescouve-flor
Russischцветная капуста
Chinees花椰菜
Japansカリフラワー, カラー写真
Arabischقرنبيط
Turkskarnabahar
Poolskalafior
Zweedsblomkål
Deensblomkål
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek