bloemenpracht

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de schoonheid van bloemen; de mooie bloemen
    Zijn moeder dommelt in haar luie stoel onder de bomen. Katie en Wander scharrelen samen langs de bloemenborders. Zijn zus wijst her en der naar Elza's bloemenpracht.
    De Keukenhof bij Lisse mag dan wel gesloten zijn, toeristen en dagjesmensen kunnen het toch niet laten om zich in de bloemenpracht van de Bollenstreek te laten fotograferen. Zoals bij Hillegom, waar Burgemeester Van Erk maatregelen neemt.