bloembol

mannelijk (de)/ˈblumbɔl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bolvormig stengeldeel van een plant, onder de grond
    - Nederland exporteert veel bloembollen zoals tulpen en hyacinten.
    - De Hollandse tulpenmanie in de Gouden Eeuw heeft naam gemaakt als de eerste economische bubbel in de geschiedenis. Er werd gespeculeerd op tulpen die nog in de grond zaten, en rond het hoogtepunt in 1637 zou één enkele bloembol net zoveel waard zijn geweest als een grachtenpand - waarna de zeepbel uiteenspatte. De parallellen met het heden liggen voor het oprapen, maar Koek benadrukt dat het in Tulpmania niet primair om de economische crisis gaat: „Het gaat echt om de túlp.”Joep Stapel NRC 30 april 2015

Vertalingen

DuitsBlumenzwiebel
Spaansbulbo de flor, bulbo, cebolla