bloeitijd
mannelijk (de)/'blujtɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de periode van het jaar dat er bloemen aan een plant bloeienDe bloeitijd van de heide is in juli en augustus.
- de hoogtij van ietsDe bloeitijd van Nederland was in de 17de eeuw.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek