bloei
mannelijk (de)/bluj/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) toestand waarin een plant bloemen draagtIn augustus hebben de paardenbloemen een tweede bloei.Nee, het pluis is afkomstig van populieren en komt pas vrij na de bloei van deze bomen.Sander Voormolen NRC 3 juni 2016
- (figuurlijk) toestand waarin iemand of iets op zijn best is, bloeitijdQ 0 Griekse literatuur van de Keizertijd Terwijl de Latijnse literatuur onder de Augustus en de latere keizers een bloei doormaakte, gebeurde in het Griekse literaire veld rond de geboorte van Christus ook van alles, dat zich overigens geografisch voor een groot deel buiten het oude Griekse taalgebied afspeelde, bijzonder vaak in Rome zelf, het centrum van de macht immers, of andere gehelleniseerde streken van het Romeinse Rijk, zoals het Midden-Oosten en Noord- Afrika.In de negentiende eeuw dacht men op die nieuwe manier over het verleden en het historische proces, waarbij de groei en bloei van naties centraal kwam te staan.In de middeleeuwen kwam de stad tot bloei.
Uitdrukkingen
- In de bloei van zijn leven — in de meest productieve levensfase
- Als iemand op zijn best is.
Vertalingen
Engelsbloom, prosperity, success
Fransfloraison
DuitsBlüte, Blüte
Spaansflor, florescencia, prosperidad
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek