Blinker
mannelijk (de)/'blɪŋkər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (visserij) klein visje dat als aas wordt gebruikt , G.H.; J.P. Vording (1997). [http://books.google.nl/books?id=ZNIRaK2rUskC&lpg=PA134&dq=%22blinker%22&hl=nl&pg=PA134#v=onepage&q&f=false Woordenboek van de Drentse dialecten]. Uitg.: Van Gorcum, . , Dirk (1997). [http://books.google.nl/books?id=RlnjvxCHg4QC&lpg=PA51&dq=%22blinker%22&hl=nl&pg=PA51#v=onepage&q&f=false Vissers van de wal: gesprekken met beroepsvissers, p. 51]. Uitg.: Vèrse Hoeven, .
- (informeel) Bargoense benaming voor tand , Jac. van, s.j. (1914). [http://www.dbnl.org/tekst/ginn001hand02_01/ginn001hand02_01_0004.php Handboek der Nederlandsche taal, Deel II. De sociologische structuur onzer taal II]. Uitg.: L.C.G. Malmberg.
Etymologie
* van blinken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek